Netwerken werkt
als je het doet, tenminste *
De meeste cliënten bij
loopbaanadvies-, outplacement- en reïntegratiebureaus zoeken nieuw werk. Als is
uitgezocht wat voor werk dat is, breekt de fase van solliciteren en netwerken
aan. Men stort zich vervolgens op solliciteren, minder op netwerken. Er is veel
weerstand om dat echt aan te pakken en in de praktijk komt er dan ook vaak
weinig van terecht.
Loopbaanbegeleiders moeten er alles aan doen hun cliënten tot netwerken te brengen, omdat dit hun kansen op de arbeidsmarkt
aanzienlijk vergroot. Hoe gaan we met die weerstand om? Weten we wel goed wat
netwerken inhoudt? Hebben we er zelf misschien weerstand tegen? Kortom: hoe
krijgen we onze cliënten zover dat ze voortvarend netwerken?
Netwerken is een van jongs af geleerde menselijke bezigheid. Je hebt
een vraag of probleem, kunt het zelf niet oplossen en zoekt anderen om je te
helpen. Die anderen vormen je netwerk, de mensen die je – op een of andere
manier – kent, die jou ook kennen en je een warm hart toedragen. Je kiest
mensen uit je netwerk en legt ze de vraag voor.
Dat begint al in de wieg. Dorst? Je huilt en voordat je het weet snelt iemand
toe met borst of flesje. En zo gaat het later ook, of je nu de weg vraagt, of
een computerprobleem hebt. Maar op de een of andere manier voel je weerstand om
‘de weg’ te vragen als je op zoek bent naar werk. De reacties
zijn bekend: ik kan mezelf niet verkopen; ik heb helemaal geen netwerk; ik ben
geen type voor borrels, recepties en seminars; ik hou niet van dat geslijm, enzovoort.
Omgaan met weerstand
In de jaren dat ik
bij Van Ede & Partners werkte (1993-2001) had ik af en toe een
‘netwerktalent’ als cliënt. Meestal een verkoper of andere commerciële figuur,
die er helemaal geen moeite mee had, het zelfs met plezier deed. Maar vaker
kostte het moeite cliënten aan het netwerken te
krijgen. Ik gebruikte allerlei rationele argumenten om ze te overtuigen. Zoals:
maar 30% van alle vacatures staat in de krant en/of op internet.
Als je kans wilt maken op die 70% moet je netwerken, anders kom je die
vacatures niet tegen. Of: je hebt helemaal geen groot en indrukwekkend netwerk
nodig om met succes een baan te vinden. Al ken je maar een paar mensen die je kunt aanspreken, via hun eigen netwerken kom
je verder enzovoort. Of: je hoeft helemaal niet naar borrels en recepties,
zwaaiend met visitekaartjes. Netwerken is eigenlijk meer een
onderzoeksactiviteit, waarbij je mensen vraagt om informatie over mogelijke
banen voor jou.
Later, uitwisselend met
collega’s bij everywinnerhasacoach.com, toen ik het boek Netwerken werkt
schreef en vooral daarna bij workshops, trainingen en lezingen (zoals bijvoorbeeld het NOLOC-jaarcongres
van 2005), kwam ik erachter dat al die rationele argumenten wel helpen, maar
niet afdoende zijn.
Netwerken is een breder begrip dan alleen gericht op
het vinden van een baan. Je netwerk opbouwen en onderhouden kun je goed, maar
ook slecht doen. Je kunt je netwerk voeden, maar ook laten doodbloeden.
Netwerken is een bezigheid met (ongeschreven) regels, en die moet je in acht
nemen, anders werkt het niet. Belangrijke regels in dit verband zijn
onbaatzuchtigheid en wederkerigheid, twee – op het eerste gezicht –
tegenstrijdige begrippen die een essentiële rol spelen bij netwerken.
Netwerken is geven,
zonder vragen
Mijn eerste
ervaringen met netwerken had ik in de jaren vijftig met mijn Opa. Hij was
autoverkoper, een heel goede, maar hij zei altijd: “Ik verkoop helemaal geen
auto’s, de klanten komen vanzelf naar me toe.” En zo was het ook. Als jochie
van tien was ik me er niet van bewust dat het om netwerken ging, maar dat was
het wel degelijk. Ik mocht wel eens met hem meerijden, ritjes door de stad in
zijn mooie Vauxhall Cresta.
Als hij dan ergens een door hem verkochte wagen zag staan (toen kon dat nog,
omdat er nauwelijks auto’s waren), zei hij altijd iets van: “Hé, dat is de
wagen van Janssen, even kijken hoe het ermee staat, kom mee!” Er werd dan
aangebeld en weldra ontspon zich een geanimeerd gesprek over de wagen, hoe het
met de gezondheid ging, de dochter des huizes die ging trouwen of wat dan ook.
En mijn Opa had altijd een welgemeend advies: “Voor afstellen moet je even naar
Henkie in de garage, die is de beste, zeg maar dat
Willem je gestuurd heeft.” Of hij stuurde later een presentje voor de dochter
des huizes in ondertrouw. Zo verkocht mijn Opa auto’s. Hij hield zijn netwerk
in de gaten, luisterde ernaar, bediende het naar beste weten en... de klanten
voor nieuwe auto’s kwamen vanzelf.
Om het
wat abstracter te zeggen: een goede netwerker geeft veel aandacht aan zijn
netwerk en bedient het waar hij kan op passende en respectvolle wijze. En hij vraagt er niets voor terug:
onbaatzuchtigheid.
Maar toch krijgt hij veel terug, want door zijn onbaatzuchtig gedrag bouwt hij
‘krediet’ op. Dat is de wederkerigheid die in netwerken zit. Het is eigenlijk
geen regel, meer een soort wetmatigheid. Ooit door de antropoloog Marcel Mauss beschreven in Essai sur le don. In alle samenlevingen speelt de ‘gift’ een
essentiële rol in het smeden van sociale relaties. Giften, cadeaus, presentjes
scheppen verplichtingen bij de ontvangende partij. Dat zijn vaak
onuitgesproken, maar daarom niet minder duidelijk gevoelde verplichtingen.
Oude, gouden contacten
Als je dus
‘investeert’ in je netwerk, kun je er ook iets aan vragen, je ‘mag’ iets terugverwachten.
Toch is het iets anders dan een boekhouding met debet en credit. Je kunt wel
iets terugverwachten, maar de vraag is wanneer en in welke vorm. En daar zit nu
juist het probleem met netwerken om een baan te vinden. Als je op zoek bent
naar werk, heb je op dat moment een bepaald netwerk, met een bepaalde mate van
opgebouwd krediet. Daar valt op korte termijn weinig aan te veranderen. Sommige
cliënten voelen haarscherp aan dat ze geen of weinig krediet hebben. Die
cliënten hebben dan ook terechte weerstand, want wat kun je vragen aan iemand
die niet bij jou in het krijt staat.
Als begeleider is het hier de kunst om oude (vaak onvermoed waardevolle)
contacten op te laten sporen en de weinige andere contacten op gepaste wijze
aan te spreken. Vooral oude contacten kunnen waardevol zijn: studievrienden,
docenten, collega’s, oude buren, mensen die je misschien al jaren uit het oog
bent verloren zullen vaak verrast en positief reageren als je ze benadert. Oude
adreslijsten en –boekjes bewijzen hier vaak goede diensten.
Vraag niet om een baan,
vraag om advies!
Maar ook cliënten
die een behoorlijk netwerk hebben, voelen vaak schroom. Deze categorie is goed
te helpen, door ze uit te leggen dat je juist niét om werk moet vragen. Hét
adagium van netwerken is: vraag niet om een baan, vraag om advies.
Het gaat erom bij netwerken zo lang mogelijk te wachten met het vragen om een
baan, liever vermijd je het helemaal tot je ‘gevraagd’ wordt. Dit ultieme
netwerksucces is niet voor iedereen weggelegd, maar wel kunnen alle
netwerkgesprekken zo worden voorbereid dat er een duidelijke en (door het te
benaderen contact) goed te beantwoorden adviesvraag ligt. Bereid je op elk
netwerkgesprek voor door je af te vragen welke specifieke deskundigheid je
gesprekspartner heeft. Benoem die deskundigheid en bereid vragen voor. De
vragen die je wilt stellen zijn dus niet: weet u een passende baan voor me? Of
erger nog: heeft u werk voor me? Nee, je vraagt advies
en informatie over de specifieke arbeidsmarkt waarop jij je richt, wat voor
mensen zoekt men, in welke bedrijven liggen goede
mogelijkheden, zijn er specifieke deskundigheden vereist, hoe is het om in zo’n
bedrijf te werken, wat voor mensen zouden verder kunnen helpen etc.
Bij het contactleggen
(meestal telefonisch) om een afspraak voor een netwerkgesprek te maken is het
nog belangrijker om je adviesvraag helder te hebben. Je hebt immers niet meer
dan dertig seconden tot een minuut om je vraag voor te leggen. Iets in de trant
van: “Momenteel oriënteer ik me op een nieuwe werkkring en heb van .... begrepen dat u erg deskundig bent op het werkterrein
dat ik ambieer. Graag zou ik mijn plan van aanpak aan u voorleggen. Wellicht
kunt u me adviseren over volgende stappen.” Een dergelijke benadering opent
vele deuren, iedere Nederlander wil immers graag adviseur zijn. Zoek vooral ook
netwerkcontacten die hetzelfde werk doen als jij ambieert, en niet
leidinggevenden of P&O-functionarissen, want dan
is de kans groot dat de ‘sollicitatieval’ dichtklapt. Voordat je het weet is
het netwerkgesprek een sollicitatiegesprek geworden, kun je je
cv achterlaten en hoor je nog wel. Waarschijnlijk niet
dus!
Netwerken in turbostand
Netwerken om een
baan is eigenlijk in strijd met de regels van netwerken. Je wilt snel succes,
je kunt je niet permitteren maanden of langer zonder werk te zitten. Daarom
benader je je netwerk (en later dat van anderen) op
een geforceerde wijze. De weerstand die veel cliënten voelen heeft daarmee te
maken. Dat is dus terecht, want ‘zo’ ga je eigenlijk niet met je netwerk om.
Het heeft dan ook geen zin hier tegenin te gaan. Van belang is juist dat de
cliënt zich hiervan bewust wordt. Juist dat bewustzijn kan ertoe aanzetten om
nog zorgvuldiger en respectvoller om te gaan met contacten. Door adviesvragen
helder en beperkt te houden zul je het (eventueel weinige) krediet toch kunnen
aanspreken. Vergeet niet dat de meeste mensen zich goed kunnen verplaatsen in
de rol van werkzoekende; dat heeft iedereen wel een of meer keren meegemaakt in
zijn carrière.
Nog niet klaar voor
netwerken
Een andere
weerstand is als een cliënt nog niet klaar is voor netwerken. Want netwerken
kun je alleen als je goed weet wat je wilt, wat voor werk je zoekt, wat je
kernkwaliteiten zijn, en als je dat mondeling – op een
aansprekende manier - kunt presenteren. Voor solliciteren moet je natuurlijk
ook weten wat je wilt, al was het maar om de juiste advertenties uit te zoeken,
maar bij solliciteren kun je passiever zijn. Je reageert op een advertentie,
maakt duidelijk dat dat precies de baan is die je
zoekt, stuurt je brief en CV op en dan is het afwachten.
Voor netwerken is meer
nodig. Om dat cliënten duidelijk te maken, en om het moment dat genetwerkt kan gaan worden duidelijk te markeren, werk ik
meestal met een resumé. Dat is iets anders dan een CV.
Een resumé begint met de doelstelling en
kernkwaliteiten van de cliënt, gevolgd door (alleen) relevante werk- en
opleidingservaring. Het geeft dus niet alleen een beeld van het verleden, maar
ook van de geambieerde toekomst van de cliënt. Het is goed veel aandacht te
besteden aan die doelstelling: welk werk precies gezocht wordt, en waarom nu
juist de cliënt daarvoor geschikt is. Dat geeft richting aan het netwerken,
helpt heldere adviesvragen formuleren en gericht contacten zoeken.
Workshops, trainingen
en een opleiding voor loopbaanbegeleiders
Het boek Netwerken
werkt voorziet in een duidelijke behoefte, zowel bij mensen die zelfstandig
een volgende stap in hun loopbaan zetten als bij loopbaancliënten. Maar
verrassenderwijs bleken ook veel loopbaanbegeleiders zich in te schrijven workshops op basis van het boek. Duidelijk werd dat
bij grote zowel als kleine bureaus relatief veel onkunde en/of verkeerde ideeën
bestaan over netwerken. Inmiddels geven we ook korte
trainingen aan loopbaancliënten bij allerlei bureaus, die intensief willen
oefenen in het leggen van contact voor en voeren van netwerkgesprekken.
Inmiddels is een tweedaagse opleiding voor
loopbaanbegeleiders in voorbereiding.
Weerstand tegen
netwerken moet onderkend en goed aangepakt worden. En cliënten ‘mogen’ pas op
het netwerkpad als ze er helemaal klaar voor zijn. Dan is de kans op het vinden
van passend werk het grootst. Daar was het toch allemaal om begonnen?
Netwerken werkt, op zoek naar de baan
die je wilt. Rob van Eeden. Het Spectrum, serie VolkskrantBanen. ISBN 90.274.9826.1. € 14,95.